Elke brand heeft een klasse. Elke blusser heeft een geschikte klasse. De verkeerde blusser gebruiken kan de brand aanwakkeren of nieuwe risico's introduceren — een klassiek voorbeeld: water op een frituurpan-brand veroorzaakt een steamexplosie.
De brandklassen
- Klasse A — vaste stoffen (hout, papier, textiel)
- Klasse B — vloeistoffen (olie, benzine, alcohol)
- Klasse C — gassen (propaan, aardgas)
- Klasse D — metalen (magnesium, natrium)
- Klasse F — bakvetten in keukens
Poederblusser (ABC)
Meest veelzijdig, standaard bij hete werken. Nadeel: veel nevenschade en corrosie. Poeder is fijn en dringt in elektronica, motoren en ventilatiesystemen.
CO₂-blusser
Beste keuze bij elektrische installaties en delicate apparatuur. Geen residu. Aandacht: CO₂ verdringt zuurstof — bij gebruik in kleine, gesloten ruimtes ontstaat verstikkingsgevaar.
Schuim / waternevel
Ideaal in gebouwen: koelt en dekt de brand af. Niet bij elektrische installaties onder spanning. Watermist is een moderne variant die gebruikt kan worden bij lagere spanningsklassen — maar altijd de spanning eerst afsluiten indien mogelijk.
Vetblusser (klasse F)
Specifiek voor keukens en frituurinstallaties. Gebruikt een chemische reactie met het brandende vet om een verzeepingslaag te vormen die het vuur afdekt.
Aantal en positionering
Codex Welzijn Boek III Titel 3 verplicht minimaal één blusser per 150 m² met een minimum van één per verdieping en per zone. Op de meeste industriële sites wordt gemikt op één per 100 m². Elke blusser moet zichtbaar, gemakkelijk bereikbaar en jaarlijks gekeurd zijn.
Standaard voorziening bij onze brandwachten: 1× 9 kg poeder + 1× 5 kg CO₂ + waternevel voor nabewaking. Bij dakwerken komt daar een extra 6L waternevel bij.
