De Europese norm EN 2 verdeelt branden in vijf klassen op basis van de brandstof. Elke klasse vraagt een aangepast blusmiddel — de foute keuze kan de brand versterken of levensgevaarlijk zijn.
Klasse A — vaste stoffen
Hout, papier, textiel, kunststoffen. Blussen met water, waternevel, schuim of poeder ABC. Deze brand geeft gloeiende resten — waterig blussen is nodig om herontsteking te voorkomen.
Klasse B — vloeistoffen en smeltbare stoffen
Benzine, olie, verf, alcohol, was. Blussen met schuim, poeder BC/ABC of CO₂. Nooit met water — dat spat de brandstof rond.
Klasse C — gassen
Aardgas, propaan, butaan, waterstof. Eerste stap: gastoevoer sluiten. Blussen met poeder BC of ABC. Nooit blussen zonder de bron te sluiten — een vlammenzee is veiliger dan een gaswolk zonder ontsteking.
Klasse D — metalen
Magnesium, aluminium-poeder, titanium, natrium. Gewone blussers werken NIET. Vereist speciaal metaalpoeder (D-poeder) of droog zand. Water veroorzaakt een explosie.
Klasse F — frituurvet
Bakoliën en dierlijke vetten in keukens. Vereist een F-klasse-blusser (kaliumacetaatoplossing). Poeder of water zorgt voor een 'fat fire' explosie met vlammen tot 5 meter hoog.
Voor een brandwacht in industrie zijn poeder ABC + CO₂ de standaardcombinatie. Voor keukens is een F-blusser wettelijk verplicht.
